|
Het seculier perspectief
Tekst professor P. Cliteur Inleiding A. Vannieuwenburg
Ten geleide.
Onderstaande bijdrage van professor P. Cliteur "Het seculier perspectief" is de tekst van een lezing – opgedragen aan Anton Constandse - die hij eind 2008 hield.
"Het Seculier Perspectief" verwijst naar de Nederlandse vertaling van de titel van een boek waaraan hij werkt en dat hij in het Engels wil uitgeven onder de titel "The Secular Outlook". Prof. P. Cliteur schrijft dit boek omdat het hem tijd leek eens kort en bondig te vertellen wat nu eigenlijk mensen bezielt die zich in hun levensbeschouwing niet baseren op een of andere religie. Als een soort verzamelterm voor een bont gezelschap van mensen die worden aangeduid als "atheïsten", "agnosten", "vrijdenkers", "rationalisten", "ongelovigen", "niet theïsten" en andere aanduidingen, hanteert hij dan de term "The Secular Outlook". Vrijdenken is een onderdeel van die "secular outlook".
In het kader van de "onderbouw" van de viering van de diverse Vilvoordse verenigingen werd met prof. Cliteur contact opgenomen om deze interessante, toegankelijke en voor het debat over de positionering van de vrijzinnigheid en de lekenstaat belangrijke bijdrage, te mogen publiceren. Prof. Cliteur stemde hierin toe.
Prof. Cliteur legt, in zijn lezing, het vrijdenken onder de loep. Hij probeert de essentie van het vrijdenken te vatten en ziet twee essentiële kenmerken: ten eerste het feit dat religie niet alleen goede maar ook kwade kanten heeft en dat men die moet kunnen bekritiseren; ten tweede de intieme overtuiging dat vrijheid van meningsuiting moet kunnen en een conditio sine qua non is voor de religiekritiek.
Hij gaat, in zijn betoog, na wat de rol van het vrijdenken en van de vrijdenker, was en heden ten dage is. Hij stelt dat het vrijdenken, dat een sterke bindende kracht was, niets aan actualiteitswaarde heeft ingeboet. Essentieel voor prof. Cliteur is de mogelijkheid tot kritiek en hij is er van overtuigd dat het beginsel dat dit mogelijk maakt, de vrijheid van meningsuiting, een motor is voor de verdere ontplooiing van de cultuur. Hij waarschuwt er echter voor dat de krachten die de betekenis van de waarden van religiekritiek en vrijheid van meningsuiting relativeren en soms bekampen, duidelijk aanwezig zijn en, soms uit de meest onverwachte hoek, steun krijgen.
Prof. Cliteur stelt eveneens de vraag of vrijdenkers zich in de 21ste eeuw wel openlijk kunnen, mogen en durven uitspreken over heikele maatschappelijke thema’s waaronder de religie. Een impliciete oproep dus voor een combatievere vrijzinnigheid.
Twee werken sluiten naadloos aan bij de tekst van deze lezing. Eerste publicatie is het boek "Moreel Esperanto: naar een autonome ethiek". Prof. Cliteur betoogt dat onze samenlevingen niet alleen multicultureler, maar vooral multireligieuzer zijn geworden. Dat leidde de voorbije jaren tot grote problemen en doet de auteur besluiten dat er dringend nood is aan een basisconsensus over een aantal uitgangspunten, net zoals dat in het verkeer het geval is. In die zin moet men ook een aantal grondrechten aanvaarden zoals de vrijheid van meningsuiting, de scheiding van kerk en staat en de gelijkwaardigheid van man en vrouw. Om een multireligieuze samenleving in goede banen te kunnen leiden is volgens Paul Cliteur een soort ‘moreel Esperanto’ noodzakelijk, een taal die iedereen begrijpt en volgt. De auteur benadrukt keer op keer dat hij daarmee geen pleidooi houdt voor ‘atheïsme’ of dat hij zich keert tegen de religie als zodanig. Wat wel nodig is, is een autonome ethiek die los staat van de religie, en dit gekoppeld aan een neutrale, seculiere staat.
En voor wie, na het lezen van zijn bijdrage, dieper wil ingaan op de geschiedenis van de vrijdenkersbeweging in Nederland verwijs ik, als tweede referentie, naar "God noch autoriteit. Geschiedenis van de vrijdenkersbeweging in Nederland", onder leiding van NIOD-directeur Hans Blom, verschenen naar aanleiding van het 150-jarig bestaan van de vrijdenkersbeweging in Nederland. Hans Blom schreef het inleidende hoofdstuk. Naast voornoemd auteur hebben ook "combatieve" vrijdenkers van zoals Ulla Jansz en Paul Cliteur uiteenlopende aspecten van het vrije, ondogmatische denken belicht. Het is een stukje cultuurgeschiedenis. Of beter: een goed overzicht van de rol van de vrijdenkersbeweging "pure stijl" in de ontvoogding, sociale strijd en laïcisering van de samenleving. Figuren zoals Multatuli, F. Domela Nieuwenhuis, Aletta Jacobs, S. van Houten hebben onbetwistbaar hun stempel gedrukt op de tot stand koming van een "modern" Nederland. Samen met die vele andere anoniem gebleven vrijdenkers openden zij de weg naar het moderne liberalisme, het socialisme, het feminisme en het anarchisme. Zij lagen aan de basis van de "ontzuiling". Zij waren ook de founding fathers van het Humanistisch Verbond dat in 1946 werd opgericht en de functie van katalysator van het "emancipatorische denken" op zich nam.
Deze publicatie wil tezelfdertijd waarschuwen voor te verregaande zelfgenoegzaamheid. De standpunten van de Vrijdenkers zijn tegenwoordig immers niet meer zo duidelijk te horen. Of zij worden als te "extreem", "niet correct" gezien.
Het boek geeft een uitstekend overzicht van de verwezenlijkingen, en een aanzet tot actieve "rationalistische" deelname aan het hedendaagse debat. Dit werk is een aanrader omdat het de toekomst van de vrije gedachte aan de orde stelt.
De tekst van deze Anton Constandselezing werd door ondergetekende, met het oog op publicatie (met akkoord van prof. P. Cliteur), lichtjes bewerkt, zonder de inhoud echter geweld aan te doen.
Alain Vannieuwenburg
* * *
Mijn persoonlijke geschiedenis met dat vrijdenken begint ergens aan het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw. Ik schreef toen wekelijks een stukje in het tijdschrift De Vrije Gedachte, het orgaan van de vereniging "De Vrije Gedachte". Mijn eerste bijdrage – voorzover ik heb dat heb kunnen vaststellen - dateert uit juli/augustus 1981. Dat stukje gaat over de religiekritiek van Schopenhauer. En in datzelfde nummer is ook een bijdrage te vinden van Anton Constandse, aan wie deze lezing is opgedragen. Ik had toen sterk de indruk dat die Vrije Gedachte stond voor enkele idealen die nog steeds mijn idealen zijn en die voor mij in belangrijke mate waren gaan leven door het werk van Anton Constandse. Constandse had toen, in 1981, nog vier jaar te leven (hij overleed in 1985 op zesentachtigjarige leeftijd). En in zekere zin was hij de verbindende schakel naar een tijd die toen al niet meer bestond, een tijd waarin het vrijdenken een veel sterker levende kracht was in niet alleen de Nederlandse maar ook andere Europese samenlevingen. Tussen de twee wereldoorlogen trokken bijeenkomsten van de vrijdenkersbeweging volle zalen. En bij de mensen die toen, in 1980 of daar omtrent, de bijeenkomsten bezochten van de Vrije Gedachte was de gedachte aan die tijd nog levend. Het kon gebeuren dat je een lezing hield in Rotterdam en dat dan bij het stellen van de vragen na de lezing iemand opstond om te declameren uit het Gebed van een Onwetende van Multatuli. En niet alleen dat. Als die declamator dan begonnen was dan gonsde het van de stemmen die hem bijvielen.
De Vrije Gedachte bestond in organisatorisch verband sinds 1856 en had sinds die tijd een veelheid van filosofische, religieuze en politieke ideeën verdedigd. Niet al die ideeën waren meer even actueel. Dat kan verschillende oorzaken hebben. Het kan zijn dat die ideeën eenvoudigweg verwerkelijkt zijn. Dat is het geval met het algemeen kiesrecht of een meer libertaire houding tegenover euthanasie. Maar het kan ook zijn dat sommige ideeën minder aanspreken dan vroeger het geval was, bijvoorbeeld het anti-militarisme. Er zit echter een kern in dat vrijdenken die niet alleen van betekenis was in 1856, toen die beweging werd opgericht, of in 1981, toen ik mijn eerste stukje schreef, maar ook in 2008. Wat ik nu zou willen doen, is daarover iets zeggen. Mijn verhaal is dus gewijd aan wat je zou kunnen noemen de blijvende kern van het vrijdenkersgedachtegoed.
Wat is dat vrijdenken
Vandaag wordt Max Pam gehuldigd als "vrijdenker van het jaar". Ik wil daarmee Max graag feliciteren. Het is ook een mooie gelegenheid ons de vraag te stellen: wat is een vrijdenker? Waarom geeft De Vrije Gedachte aan Max Pam een prijs als "vrijdenker van het jaar"? Zonder op de laudatio van Max vooruit te willen lopen denk ik dat dit iets te maken heeft met twee punten waarop een vrijdenker zich onderscheidt van de rest van de mensen. Om als een "vrijdenker" te kunnen worden gekwalificeerd moet je twee overtuigingen zijn toegedaan.
De vrijdenker over religie
De eerste overtuiging heeft iets te maken met religie. Maar voordat ik duidelijk kan maken wat die vrijdenker over religie zegt, moet ik eerst aangeven hoe de meeste mensen die geen vrijdenker zijn over religie denken. Religie wordt door vele mensen gezien als een van de mooiste dingen die het menselijk ras onderscheidt van de lagere dieren. Religie is wat de mens onderscheidt van de aap. De mens is een animal religiosum: een religieus dier. En dat is heel mooi. Want door religie kan de mens "zin geven aan het leven". Door religie hebben we een "basis voor de moraal". Als we geen religie zouden hebben, dan zou de moraal als het "ware in de lucht hangen". En een kind kan aanvoelen dat zoiets niet de bedoeling kan zijn. Religie is zo belangrijk voor de mensen dat het vrij uiting geven daaraan tot een belangrijke grondrecht is verheven. Als je religie je zegt dat je niet hoeft op te staan voor de rechtbank – voilà, dan is dat een zware reden waarom je niet behoeft op te staan, zoals de Rotterdamse rechtbank onlangs heeft uitgemaakt. (Terzijde merk ik op dat sinds dat de rechtbank heeft uitgemaakt dat de advocaat die om religieuze redenen niet wil opstaan voor de rechtbank daarvoor goede gronden heeft, ik ervan overtuigd ben geraakt dat je voor die rechtsbank, de Rotterdamse rechtbank dus, ook inderdaad niet behoeft op te staan. Maar dat weet ik pas sinds ik gehoord heb hoe de rechtbank denkt over haar eigen waardigheid. Maar dit terzijde dus).
Religie geeft mensen ook perspectief op een ander leven na dit leven. Een religieus mens is dus niet in de ban van de platte materialistische visie dat dit leven is "all there is", maar dat we na dit leven nog een ander leven hebben. "Eerst dit leven en daarna het eeuwige leven, je vraagt je weleens af, waar hebben we het aan verdiend", zei Gerard Reve al.
Religie houdt ook de samenleving bijeen. Het smeedt groepen mensen aan elkaar. Vooral etnische en religieuze minderheden die uit andere delen van de wereld komen worden door de religie bij elkaar gehouden. Dat is alles wat ze hebben. Als ze die religie niet zouden hebben, dan zouden ze alleen en verweesd in de Nederlandse samenleving staan: als individuen, zal ik maar zeggen. En dat zou natuurlijk verschrikkelijk zijn.
Religie kan dan ook eigenlijk geen kwade kanten hebben, want op het moment dat religie een kwade kant lijkt te hebben dan is dat niet "religieus". Er zijn flauwe spotvogels die denken een religie te kunnen afrekenen op zijn donkere kanten. Die spotvogels wijzen op de kruistochten, de boekverbrandingen, de ketterverbrandingen, de fatwas waarbij wordt opgeroepen een schrijver te vermoorden en meer van dat soort dingen. Dat is natuurlijk heel flauw en weinig overtuigend om verschillende goede redenen. De eerste reden is dat tegenover een vermeende misstand van de religie altijd oneindig veel materiaal kan worden aangevoerd dat in een andere richting wijst. Tegenover één veroordeling van Galileo Galilei door de kerk (inderdaad een misstap) staat een eindeloze rij heiligverklaringen van mensen voor wie die heiligverklaring volkomen terecht is. Het geval-Galilei behoort als het ware tot de bedrijfsrisico’s. Wie zou willen beweren dat nooit meer operaties plaats mogen vinden omdat één keer een verkeerd been is afgezet? Een tweede reden waarom die spotvogels van de religie ongelijk hebben is de reeds genoemde metafysische overtuiging dat religie uit de aard der zaak geen bron kan zijn van kwaad. Anders was het geen religie. Het is de Britse filosoof Herbert Spencer geweest die dat in de vorige eeuw al duidelijk heeft gemaakt met de volgende zin: "The truly religious element of Religion has always been good; that which has proved untenable in doctrine and vicious in practice, has been its irreligious element; and from this it has been undergoing purification."Dat is heel goed gezien van Spencer. Religie is uit de aard der zaak goed. Wat op het eerste gezicht verkeerd lijkt is het niet-religieuze element. En bovendien: dat niet-religieuze element wordt gezuiverd. Een laatste punt dat tegen de spotvogels die religie aanklagen kan worden ingebracht is dat je nooit mag "generaliseren". Dus op basis van één uitspraak van Ayatollah Khomeini mag je niet de gehele moslimgemeenschap stigmatiseren. Op basis van één misschien niet zo gelukkige uitspraak van de paus over condooms in Afrika mag je niet alle katholieken over één kam scheren. Dat mag je ook niet doen met uitspraken uit de heilige schrift. Als in de heilige schrift staat dat een vrouw die niet als maagd wordt uitgehuwelijkt mag worden gestenigd, dan mag je daaruit niet de conclusie trekken dat die hele heilige schrift niet deugt. Dat zou bijzonder onterecht zijn. Er staat tenslotte in die heilige schrift ook dat je de ander lief moet hebben. Eeuwenoude geschriften waaruit biljoenen mensen inspiratie hebben geput en nog steeds inspiratie putten verwerpen op basis van één geïsoleerde uitspraak (die je bovendien best metaforisch kan interpreteren) is dus helemaal onterecht.
Gelovigen in geloof
Hiermee, heb ik, ongeveer weergegeven hoe vele mensen over religie denken. Het zijn overigens niet alleen de gelovige mensen zelf wier opvattingen ik hier heb weergegeven. De visie op het religieuze geloof die ik hier heb weergegeven treft je ook aan bij vele mensen die zelf aangeven geen religieus geloof te hebben, maar die het wel een goede zaak achten dat andere mensen dat religieuze geloof hebben. Die groep mensen is door Daniel Dennett wel eens aangeduid als de "believers in belief". Het zijn diegenen die – hoewel zelf niet gelovend – geloven in het geloof. Je zou ook kunnen zeggen: de heilzame werking van het geloof. Nederlandse "believers in Belief" zijn bijvoorbeeld zulke verder zo verschillende figuren als Frits Bolkestein en Job Cohen. Frits Bolkestein heeft zelf geen religieus geloof, maar tijdens een toespraakje dat hij hield toen ik hem bij verschijning mijn boek Moreel Esperanto heb aangeboden gaf hij aan dat hij eigenlijk niet gelooft dat mensen hun moraal op een louter seculiere basis zullen gaan grondvesten, zoals ik in feite van mensen verwacht. Hij is dus als het ware een "disbeliever" in het seculiere project dat ik bepleit. Voor Cohen geldt iets soortgelijks. Cohen denkt dat hij etnische en religieuze minderheden alleen via de religie in de Nederlandse samenleving kan laten integreren. Dat brengt de gemeente Amsterdam er zelfs toe om directe financiële steun te verlenen aan godsdienstige stromingen, in casu de Islam. Dat is natuurlijk wel in strijd met de Nederlandse grondwet. Immers wij kennen in Nederland wel bijzonder onderwijs; wij kennen ook een financiële tegemoetkoming aan sociale dienstverlening die vanuit een religieuze gemeenschap wordt georganiseerd – maar wij kennen niet directe steun aan kerkgenootschappen. Amsterdam doet dat dus wel. Dat alles wijst erop dat het "geloven in geloof" wijd verbreid is en ook invloed heeft op het sociaal en politiek beleid. Nu is Nederland natuurlijk altijd een reflex geweest van internationale ontwikkelingen en internationaal is het "Belief in Belief" ook sterk in opkomst. De conservatieve filosoof Roger Scruton: naar eigen zeggen een "believer in Belief". De huisfilosoof van de redactie van NRC Handelsblad, John Gray: een "believer in Belief".
Dat brengt mij dan nu, eindelijk, bij de eenzame positie van de vrijdenker. Het wereldbeeld en de opvatting ten aanzien van religie die ik hiervoor getypeerd heb is niet die van de vrijdenker. Anton Constandse dacht niet zo over geloof. Rudy Kousbroek ook niet. Maarten ’t Hart ook niet. Karel van het Reve ook niet. Max Pam ook niet. Hoe denkt een vrijdenker dan wel over religie?
Diegenen die nu verwachten dat ik ga zeggen dat een vrijdenker zich committeert aan de opvatting dat religie het grootste kwaad is dat de mensheid getroffen heeft, moet ik teleurstellen. Ik zal ook niet verdedigen dat een vrijdenker de opvatting is toegedaan dat als alle religieuze twisten de wereld uit zijn de mensheid in paradijselijke rust zal verder leven. Het belangrijkste wat de vrijdenker leert over religie is volgens mij dit: dat religie op zijn minst verschillende kanten heeft waarbij men kwade kanten niet over het hoofd moet zien.
Ik geloof dus niet dat een vrijdenker zich zou moeten commiteren aan de stelling dat religie mensen nooit tot iets moois kan inspireren. Religie verandert ook. In 1570 sprak Paus Pius V een soort "fatwa" uit dat Koningin Elizabeth I vermoord zou moeten worden. Onze paus, Ratzinger, doet dat niet meer. Maar dat betekent niet dat Paus Pius V niet "waarlijk katholiek" was en onze paus Ratzinger wel, maar dat in 1570 het katholicisme er anders uitzag dan het katholicisme in 2008. Die opmerking van Herbert Spencer dat religie uit de aard der zaak goed is wordt door een vrijdenker verworpen als een onaanvaardbare semantische kunstgreep om religieuze wereldbeschouwingen te immuniseren voor kritiek. Een vrijdenker zou zeggen: "Religie heeft kwade kanten en die kwade kanten moeten worden voorzien van kritiek. Door religiekritiek kan religie gezuiverd worden van die kwade kanten."
Religiekritiek
Dat brengt ons in het verlengde van de opvatting dat religie kwade kanten heeft op het onderwerp van religiekritiek.
Door de eeuwen heen is religie altijd bekritiseerd. Maar de wijze waarop dat is gebeurd is sterk verschillend. En ook kan men zeggen dat het in sommige tijden bijzonder moeilijk was religie openlijk te kritiseren. Wanneer een niet goed geïnformeerde leek een hedendaagse geschiedenis van de filosofie zou oppakken (die van Vorländer, Überweg, Deussen of een andere) dan zou hij kunnen denken dat het hier gaat om een beschrijving van wat grote geesten als Plato, Aristoteles, Augustinus, Descartes, Spinoza en Russell hebben gedacht. Maar dat is onjuist. Wat we in een geschiedenis van de filosofie aantreffen is wat die filosofen aan de openbaarheid hebben willen prijsgeven en dat is iets heel anders. De reden voor dat verschil is duidelijk. In een groot deel van de wereld in de 21ste eeuw kunnen schrijvers niet vrij uitspreken wat zij op hun hart hebben. In een groot deel van de wereld kent men namelijk óf censuur óf een zodanige beperking van de vrijheid van meningsuiting achteraf dat van een werkelijke vrijheid weinig overblijft. Maar dat geldt ook voor het overgrote deel van de geschiedenis van Europa waarin de denkers leefden die in een geschiedenis van de filosofie worden gepresenteerd. Descartes, Spinoza, Paine en Kant vertrouwden dus niet zonder meer aan het papier toe wat zij dachten, maar wat zij dachten én meenden zonder gevaar voor lijf en goed te kunnen mededelen aan hun medeburgers. En soms schreven zij in hun filosofische werken zelfs dingen op die zij nadrukkelijk niet dachten. Men moet dus tussen de regels door lezen wat zij bedoelen. En hoe voorzichtig ook, vaak kwamen filosofen toch nog in problemen met de kerk of met de politieke autoriteiten (vaak allebei of in samenwerking met elkaar). Anaxagoras moest vluchten om zich te onttrekken aan een wet die het verbood astronomische speculaties te ontwikkelen die in strijd zijn met de religie. Protagoras verdronk toen hij op de vlucht was naar aanleiding van een soortgelijke aanklacht. Socrates werd veroordeeld tot het drinken van de gifbeker vanwege zijn onorthodoxe opvattingen over de goden, waarmee hij de jeugd zou hebben geïnfecteerd. Descartes publiceerde zijn manuscript Le Monde niet toen hij hoorde over de problemen die Galileo had met de kerk. Spinoza publiceerde de Ethica alleen postuum en liet het Politiek-filosofisch Tractaat niet in de landstaal verschijnen. Paine en ook zijn uitgever kreeg enorme problemen met de publicatie van The Age of Reason, een kritiek op het traditionele geloof en een verdediging van zijn eigen deïstische opvattingen. Giordano Bruno verloor zijn leven op de brandstapel. J.G. Fichte kreeg problemen na beschuldigingen van atheïsme. Kant kreeg een schrijfverbod opgelegd over religieuze aangelegenheden. Diderot werd opgesloten in Vincennes vanwege de publicatie van zijn Lettre sur les aveugles (1749). Natuurlijk ging het niet altijd om de meest radicale sancties, een dood door verbranding. Je kon ook je professoraat verliezen, zoals bij David Friedrich Strauss in Tübingen gebeurde. Renan verloor zijn leerstoel aan het Collège de France, Büchner werd ook uit Tübingen geweerd (1855). Pogingen om Haeckel van zijn leerstoel in Jena te krijgen leden schipbreuk.
Het is in de geschiedenis van het denken maar zelden zo geweest dat godsdienst vrij en openlijk kon worden bekritiseerd. Die vrijheid begint eigenlijk pas in de tweede helft van de 19e eeuw gestalte te krijgen en het is dan ook niet verbazingwekkend dat pas in 1856 een vrijdenkersvereniging werd opgericht. Daarvóór waren natuurlijk ook wel vrijdenkers, maar die konden zich niet openlijk uitspreken.
Opvallend genoeg is dat tegenwoordig ook weer het geval. Maar het verschil met vroeger perioden is dat het geweld dat gericht is tegen mensen die religie kritiseren niet wordt aangewend door de staat, maar door terroristische groeperingen en individuen. De meest bekende manifestatie van dat terroristische geweld vond in Nederland plaats tegen de filmmaker en publicist Theo van Gogh op 2 november 2004. Maar er zijn ook wel andere manifestaties van te onderkennen. De Cartoon-crisis heeft ermee te maken. De terreurdreiging die bestaat rond de figuur van Geert Wilders die in feite tot voorwerp van potentieel terroristisch geweld is geproclameerd door het maken van een religiekritische film. Dat potentieel geweld is ook nog steeds aanwezig, zoals blijkt uit een bericht op de voorpagina van de Volkskrant onder de titel "Nederland doelwit van terreur" van 10 september 2008. Dat bericht geeft aan dat Nederland een van de "voorkeursdoelwitten" is geworden van internationaal opererende jihadistische nekwerken, stelt de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding Tjibbe Joustra. Volgens hem is die dreiging het gevolg van de film Fitna van Geert Wilders die in maart 2008 is uitgebracht. Volgens minister Hirsch Ballin zijn er ook "concrete aanwijzingen" dat er in radicale netwerken speciaal aan Nederland wordt gedacht. Hirsch Ballin zei: "Er worden een paar Europese landen met name genoemd en daar zit Nederland helaas bij. De effecten van Fitna zijn niet van de een op de andere dag weg. Overigens zijn degenen die een aanslag voorbereiden uiteraard als enigen verantwoordelijk, daar mag geen misverstand over bestaan." Die laatste opmerking van de minister is natuurlijk een bijdrage aan een discussie die al jaren sleept en die gaat over de vraag of meisjes met korte rokjes zelf de verkrachting over zich hebben afroepen. Het dragen van korte rokjes moeten we dan tegenwoordig vervangen door het maken van cartoons, films, romans en dan krijgen we de vraag: moet een criticus van de religie inbinden naarmate de gelovigen gewelddadiger worden? Dat is eigenlijk een van de belangrijkste vragen die we ons tegenwoordig bij de religiekritiek moeten stellen.
Paradoxaal genoeg lijkt in de Nederlandse samenleving een consensus te groeien dat naarmate terroristen gewelddadiger worden critici van het geloof steeds meer op hun woorden moeten passen. Je zou dat kunnen ervaren als een paradox. Immers je kan ook zeggen: "naarmate gelovigen gewelddadiger worden is religiekritiek des te meer verantwoord en des te meer nodig." Maar velen zien dat anders. Vele mensen vinden het helemaal geen probleem om vredelievende gelovigen verbaal hard aan te pakken, maar gewelddadige gelovigen te vrijwaren van kritiek. Hirsch Ballin lijkt een klein beetje lering te hebben getrokken uit de commentaren van diegenen die dat een ongerijmde redenering vinden en hij zegt daarom dat voor het geweld niemand anders verantwoordelijk is dan de geweldpleger. Maar dat is een opmerking die gemaakt is nadat jarenlang juist diegenen die – om het zo te zeggen – terroristen voor de voeten lopen met religiekritiek de mantel is uitgeveegd omdat zij zogezegd het geweld over zichzelf hebben afgeroepen.
Wat nu kenmerkend is voor een vrijdenker is dat hij waarde hecht aan kritiek op religie. Hij vindt dat dus niet "zinloos grievend", "de dialoog niet zoekend", "respectloos" maar hij denkt dat net zoals andere ideologieën en wereldbeschouwingen verder zijn gekomen door kritiek, dat ook geldt voor religies. Het gehele wereldbeeld van de gelovigen en van de "gelovigen in het geloof" wordt door de vrijdenker verworpen als een misvatting.
Daarbij is van belang dat we het specifieke van de houding van de vrijdenker begrijpen. Ik wil dat illustreren aan de hand van twee grote 19e eeuwse denkers. De eerste is John Stuart Mill. John Stuart Mill schreef in 1859 een klein boek onder de titel On Liberty. Hij formuleerde daarin een pleidooi voor de vrijheid van meningsuiting. Hij zei: "If all mankind minus one, were of one opinion, and only one person were of the contrary opinion, mankind would be no more justified in silencing that one person, than he, if he had the power, would be justified in silencing mankind." Het is interessant deze zin eens toe te passen op de casus van de film van Wilders. Hier heb je die ene mens die de gehele mensheid probeert te smoren. Immers de secretaris-generaal van de Verenigde Naties – en daarmee de mensheid – heeft zich in streng afwijzende termen uitgelaten over de film die de Nederlandse parlementariër heeft uitgebracht. Mill zou dat niet goed hebben gevonden. Hij zou hebben gewezen op dat onvervreemdbare recht van die ene persoon. Toch is daarmee de positie van de vrijdenker nog niet adequaat getypeerd, want ik denk dat daarvoor nog een andere overtuiging kenmerkend is. Een vrijdenker denkt niet alleen dat iemand het recht heeft om religie te bekritiseren, maar dat hij daartoe zelfs verplicht is als hij zijn plicht als staatsburger serieus zou nemen. Dat laatste is misschien moeilijker in enkele woorden duidelijk te maken omdat ons de gedachte vreemd is geworden dat we min of meer moreel gehouden zijn religieuze opvattingen kritisch te bespreken. Toch is dat wel de overtuiging van een tweede Britse geleerde die ik wil opvoeren, namelijk. William Kingdon Clifford. Clifford is the schrijver van het opstel The Ethics of Belief (1877) met daarin de centrale zin:"It is wrong always, everywhere, and for anyone, to believe anything upon insufficient evidence." Misschien moet je het gehele opstel lezen om als het ware in een geesteswereld ingewijd te worden die het principe van kritiek als morele opdracht centraal stelt. Clifford is de perfecte antithese op het "Belief in Belief".
Waar Clifford is gelooft is in rationele kritiek. Wat zijn Clifford’s argumenten? Allereerst: geloof heeft nooit alleen op jezelf betrekking. "No man’s belief is in any case a private matter which concerns himself alone", schrijft Clifford. Onze levens zijn intiem met elkaar verbonden. Wat de één gelooft, in het bijzonder wanneer het gaat om een diep geloof, heeft grote relevantie voor de ander. Clifford zegt: "Our words, our phrases, our forms and processes and modes of thought, are common property, fashioned and perfected from ages to ages." Het geheel van onze opvattingen, het geheel van ideeën waarin we geloven is een soort van erfstuk dat van generatie op generatie wordt overgedragen: "an heirloom which every succeeding generation inherits as a precious deposit and a sacred trust to be handed on to the next one, not unchanged but enlarged and purified, with some clear marks of its proper handiwork." In dat geheel van opvattingen zitten ook onze eigen opvattingen: "every belief of every man who has speech of his fellows." Dat is dus een collectief bezit. Clifford zegt ook wel: het is bezit van de gehele mensheid. "Belief, that sacred faculty which prompts the decisions of our will, and knits into harmonious working all the compacted energies or our being, is ours not for ourselves, but for humanity." Een tweede punt dat Clifford uitvoerig uitwerkt, is dat we niet alleen allemaal het collectieve bezit van wat we geloven en waarvan we overtuigd zijn moeten hooghouden, maar dat we het vooral ook verder moeten ontwikkelen en dat wil zeggen: onderwerpen aan kritiek. Dat geheel van opvattingen waarvan ook onze eigen opvattingen deel uitmaken dat is het gemeenschappelijke erfgoed dat niet alleen we allemaal mogen beproeven op consistentie en waarheid, maar dat is zelfs onze morele plicht. Het is een "afwful privilege" en een "awful responsibility" dat we allemaal meewerken aan een wereld waarin ons nageslacht zou willen leven. Dat erfstuk zomaar overnemen en "geloven" dat het juist is of waar is of niet meer verbeterd kan worden is in strijd met die verantwoordelijkheid of die plicht. En dan komt Clifford op een formulering die hij in het essay in licht gewijzigende vorm vele keren zal herhalen. Wat hij afwijst is: "to believe on insufficient evidence, or to nourish belief by suppressing doubt and avoiding investigation." Of korter: "It is wrong always, everywhere, and for anyone, to believe anything upon insufficient evidence." Het behoeft nauwelijks betoog dat dit geheel haaks staat op een hedendaagse visie op het religieus geloof. De hedendaagse visie op het religieus geloof van gelovigen zelf is steeds meer dat het een onverantwoorde inbreuk op hun privacy maakt wanneer zij worden aangesproken op hun geloof. Dat mag alleen maar onder zeer speciale voorwaarden. Het liefst wil men alleen worden aangesproken op het geloof door mensen die datzelfde geloof delen maar daaraan een iets andere interpretatie geven. Met andere woorden: "kritiek van buiten" is altijd illegitiem. Verder worden ook zorgvuldig regels geformuleerd over stijl en strekking van de kritiek. Spotten, ironie en sarcasme – alle stijlmiddelen waarvan men zich vroeger bediende zijn "uit". Het behoeft nauwelijks betoog dat we dan heel ver verwijderd zijn van de geesteswereld van W.K. Clifford voor wie kritiek, ook religiekritiek, een onderdeel van de bagage is van de verantwoord levende wereldburger.
Dat brengt mij bij een laatste onderdeel dat ik wil bespreken. Dat laatste onderdeel is min of meer geïmpliceerd in wat ik heb gezegd, maar ik wil het toch expliciet naar voren halen. Ik doel op de betekenis van de institutionele vormgeving aan het ideaal van kritiek: het principe van de vrijheid van expressie of de vrijheid van meningsuiting zoals te vinden in de Nederlandse grondwet en in verdragen waarbij Nederland zich heeft aangesloten. Een vrijdenker is natuurlijk een voorstander van die vrijheid van meningsuiting. Toch moet ik nog verder gaan en zeggen: een vrijdenker heeft daarvan hoge verwachtingen. Wat een vrijdenker typeert is dat hij denkt dat het mogelijk is door vrije kritiek verder te komen. "I hold", schrijft Stephen in The Religion of all Sensible Men, "the pleasant old doctrine that truth has a tendency to prevail". Hij is ook een typische evolutionist in de zin dat hij denkt dat historisch gezien enige vooruitgang is geboekt: "I believe that we may discern in the past history of mankind a slow approximation toward truth". Volgens mij is die overtuiging kenmerkend voor de vrijdenker. Een vrijdenker gelooft in kritiek. Hij gelooft in de zuiverende werking van kritiek. Hij gelooft dus ook dat het beginsel dat dit mogelijk maakt, de vrijheid van meningsuiting, van een enorme betekenis is voor de ontwikkeling van de cultuur.
Ik ben daarom geneigd het vrijdenken te omschrijven aan de hand van twee punten: Allereerst: de constatering dat religie niet alleen goede maar ook kwade kanten heeft die moeten worden bekritiseerd; Als tweede: de overtuiging dat de vrijheid van meningsuiting hiervoor van grote betekenis is. Ik heb deze twee punten wel eens de "twee pijlers van vrijdenken" genoemd. Wat de vrijdenker typeert is dat hij deze beide punten onderschrijft. Dat is niet vanzelfsprekend overigens. Men kan naast de positie dat men beide pijlers onderschrijft zich drie andere posities voorstellen. Allereerst kan men natuurlijk de eerste pijler verwerpen en zeggen dat religie alleen maar goede kanten heeft. Men kan ook de tweede pijler verwerpen en zeggen dat vrijheid van meningsuiting ertoe tendeert dat de meest absurde en verwerpelijke opvattingen zich vrij kunnen voortplanten in de wereld. Als derde kan men beide pijlers verwerpen. Men kan zeggen: én religie is iets heel moois én vrijheid van meningsuiting is een betrekkelijk ambivalente of misschien zelfs verwerpelijke aangelegenheid.
Nogmaals, dat kan, maar dan is men geen vrijdenker. De kern van het vrijdenken ligt in het aanvaarden van die twee standpunten die ik de twee pijlers van het vrijdenken heb genoemd.
Wat is de culturele betekenis van het vrijdenken anno 2008? Heeft dat vrijdenken nog een betekenis? Eerlijkheid gebiedt te stellen dat geen enkele hedendaagse vrijdenker en ook niet de vrijdenkersbeweging een belangrijke functie heeft op het terrein van religiekritiek. Er zijn geen hedendaags Voltaire’s of Bertrand Russell’s meer. Maar wat men wel kan constateren dat een grote meningenstrijd is losgebarsten over de betekenis van religiekritiek en de vrijheid van meningsuiting. En wat we kunnen constateren is dat de krachten die de betekenis van die waarden relativeren heel groot is. Dat is ook niet zo vreemd. Misschien nooit tevoren in de Nederlandse geschiedenis is zo duidelijk geworden dat vrijheid van meningsuiting en religiekritiek iets kosten. Het kritiseren van een heilige figuur door een cabaretier kan je op een olieboycott komen te staan of de liquidatie van een Nederlands staatsburger. Daarom zijn die debatten over vrijheid van meningsuiting ook zo verhit.
(Anton Constandselezing 2008)
Prof. Dr. Paul Cliteur
|