Enkele
kanttekeningen bij de huidige federale financiering van de bedienaren van de
erediensten en van de afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige Raad
Hoe
zit het met de financiering van de bedienaren van de erediensten en van de
afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige Raad?
De
eerste doorlichting leverde een eerder onthutsende inventaris op van
merkwaardige en vaak ongekende dan wel zedig verzwegen inkonsekwenties en
liberaliteiten, ad-hoc constructies en sui generis-toestanden.
De
Belgische Staat opteert niet voor “neutraliteit” van de Staat tegenover de
erediensten, in de zin van een onthouding van financiële tussenkomst. Er heerst
integendeel een actief ondersteund wereldbeschouwelijk pluralisme, dat bijdraagt
tot een effectief genot van de vrijheid van eredienst.
Die
ongelijkheid heeft echter een objectieve en in principe toetsbare grondslag: het
maatschappelijk nut van de eredienst / levensbeschouwing. Ook al vergt de
toepassing van dit criterium een appreciatie, duidelijk is dat het geen verschil
maakt tussen erediensten op grond van leerstellige inhouden, maar enkel op basis
van seculiere overwegingen. De overheid heeft duidelijk een “stok achter de
deur” om erediensten en gelijkgestelden te “sanctioneren” indien zij
“ondemocratische” gedrag vertonen. In de actuele context is dit niet
onbelangrijk. Of zij daar effectief ook gebruik van zal durven maken is een
andere zaak.
Naast
de grondwettelijke bepalingen waarin de wijsgerige en godsdienstige strekkingen
expliciet worden erkend, zijn er ook verscheidene andere bepalingen, waarin geen
sprake is van erediensten, maar die rechtstreeks of onrechtstreeks relevant
kunnen zijn voor de verhouding tussen de levensbeschouwelijke strekkingen en de
Staat en dus best worden “samengelezen”.
Dit
is het geval voor het artikel 22 van de Grondwet, waarin “het recht op
eerbiediging van zijn privéleven en zijn gezinsleven” is bekrachtigd en dat
wordt verstaan als een waarborg voor het recht op een persoonlijke levenssfeer.
Dit artikel maakt het onmogelijk om een “subsidieregeling” uit te dokteren
in functie van het aantal “adepten” van deze of gene religie of
levensbeschouwelijke overtuiging.
Aldus
kan, meer in het bijzonder, geen wet noch de regelgeving betreffende het statuut
van de bedienaars van de erediensten en van de afgevaardigden van de
vrijzinnigheid, in het bijzonder tot gevolg hebben dat de Belgen of de
vreemdelingen die beschermd worden door artikel 191 GW onder de ene of de andere
vorm hun godsdienstige overtuiging te kennen moeten geven (bijvoorbeeld naar
aanleiding van een volkstelling of de invulling van de belastingaangifte).
Het
is de burgerlijke overheid eveneens niet veroorloofd na te gaan of iemand een
godsdienst belijdt en welke. De gegevens m.b.t. iemands levensbeschouwelijke
overtuiging worden beschermd door de wet van 8 december 1992 tot bescherming van
de persoonlijke levenssfeer.
Als
gevolg van deze “bescherming van het recht op een persoonlijke levenssfeer”
sluit het voormelde artikel de verdeling van het begrotingsbedrag dat werd uitgetrokken
ten voordele van de bedienaren van de erkende erediensten en de georganiseerde
vrijzinnigheid, op basis van een niet-anonieme rondvraag naar aantallen
gelovigen, de fac
Het
kan anders. Een voorbeeld is het Italiaanse allocatiestelsel op basis van
gegevens verstrekt door de belastingplichtige over diens wensen m.b.t. de
levensbeschouwelijke bestemming van een deel van de belastingsinkomsten.
Een
alternatief zou de federale volksraadplegingen kunnen zijn. Ook dit is
onmogelijk en op grond van art. 33 GW en in het bijzonder op grond van art. 20
GW voor zover het de vrijheid van meningsuiting en van eredienst aangaat.
De
Commissie herinnerde er in de conclusies ook aan dat zowel bij een federale
volksraadpleging als bij een raadpleging ter gelegenheid van verkiezingen
voorbij zou worden gegaan aan de niet-kiesgerechtigdheid van vele leden van de
erkende erediensten. Dit geldt in het bijzonder voor de islam, de anglicaanse,
de orthodoxe, en de (evangelisch-)protestantse godsdienst, en zelfs voor de
recent ingeweken katholieke gelovigen uit bijvoorbeeld Polen en Afrika.
Soms
verbindt men de praktische moeilijkheid van art. 22 GW met art. 21 GW (de
autonomie van de erediensten), zodat gegevens over aantallen gelovigen in
principe worden verstrekt door de kerkelijke of religieuze overheid en deze niet
in twijfel mogen worden getrokken door de burgerlijke overheid.
In
de praktijk lijken “het aantal gelovigen, de historische aanwezigheid in België,
en de structurering van de geloofsgemeenschap de meest algemeen toegepaste
criteria”.
Er
moet nog worden opgemerkt dat twee andere criteria worden gebruikt naast de drie
voornoemde: dat van de verenigbaarheid van de eredienst met de openbare orde en
dat van het maatschappelijk belang van die eredienst. Ook dit gegeven is,
rekening houdende met wat we maar eufemistisch “bepaalde ontwikkelingen op het
terrein” zullen heten, niet onbelangrijk.
Gewesten
en gemeenschappen
Artikel
4 van de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse
bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen heeft op zijn beurt – maar
dan wat de gewesten betreft – het stelsel van de bevoegdheden inzake de
erediensten grondig gewijzigd.
De
verdeling van de bevoegdheden is, schematisch, als volgt vastgelegd:
Aangelegenheden
die onder de federale bevoegdheid vallen, in overeenstemming met artikel 6, §1,
VIII, 6° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980:
de
erkenning van de eredienst;
de
wedden en pensioenen van de bedienaren van de erediensten;
vallen
onder de gewestelijke bevoegdheid:
de
voogdij over de kerkfabriek;
de
controle op werken en de toelating voor deze werken;
de
controle en de toelating voor vastgoedverrichtingen;
de
controle op de budgetten en rekeningen;
de
toelating voor schenkingen en legaten wanneer het wettelijk vrijstellingsbedrag
wordt overschreden;
de
erkenning van parochiegemeenschappen en de wetgeving ter zake.
Aangezien
de vrijzinnigheid nergens wordt vermeld in de bijzondere wet van 13 juli 2001,
wordt er van uitgegaan dat deze volledig onder de federale bevoegdheid gebleven
is. Er moet nochtans worden benadrukt dat dit een bron van moeilijkheden kan
zijn. Om de gelijkheid tussen de erkende niet-confessionele gemeenschappen en de
erkende erediensten te verzekeren, moet het federale niveau rekening houden met
alles wat op gewestelijk niveau gebeurt, een niveau dat niet rechtstreeks kan
handelen op het gebied van de georganiseerde vrijzinnigheid.
Binnen
vrijzinnige kringen worden diverse denkpistes ontwikkeld om te komen tot een
objectievere, billijkere en coherentere betoelaging.
Gemeenten
en provincies
Niet
enkel de federale overheid komt tussen. Ook de steden, gemeenten en provincies
zijn “medespelers”. Zij zijn immers op bepaalde vlakken bevoegd. Wij
gaan hier niet diep op in. Er kan bijvoorbeeld worden verwezen naar de
huisvestingsverplichting van de bedienaars van de eredienst. Er is een
verplichting t.a.v. de gemeente (of provincie) om de bedienaar van de eredienst
een pastorie te bezorgen, of, bij gebrek aan pastorie, een woning, of bij gebrek
aan pastorie of woongelegenheid, een financiële compensatie.
In
een poging om enkele zaken in kaart te brengen werden gegevens bij de
studiedienst van DEXIA opgevraagd en in kaart gebracht.
|
Rekeningen
2007 |
|
|
|
|
|
|
Gemeenten |
|
|
Gewone
dienst |
||
|
|
|
aantal
gemeenten |
uitgaven
erediensten |
ontvangsten
erediensten |
Overdrachten
kerkfabrieken e.a. |
|
|
Totaal |
573 |
94.339.726,04 |
2.758.892,44 |
71.749.995,71 |
|
|
Vlaanderen |
300 |
47.108.397,02 |
788.646,29 |
43.521.416,57 |
|
|
Wallonië |
254 |
41.717.984,89 |
1.466.601,20 |
26.931.478,09 |
|
|
Brussel |
19 |
5.513.344,13 |
503.644,95 |
1.297.101,05 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Buitengewone
dienst |
||
|
|
|
aantal
gemeenten |
uitgaven
erediensten |
ontvangsten
erediensten |
|
|
|
Totaal |
573 |
68.968.917,60 |
18.635.543,81 |
|
|
|
Vlaanderen |
300 |
48.938.967,27 |
10.817.375,42 |
|
|
|
Wallonië |
254 |
16.331.591,88 |
5.946.458,49 |
|
|
|
Brussel |
19 |
3.698.358,45 |
1.871.709,90 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Rekeningen
2006 |
|
|
|
|
|
|
Provinces |
|
|
Gewone
dienst |
||
|
|
|
aantal
provincies |
uitgaven
erediensten |
ontvangsten
erediensten |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Totaal |
10 |
8.119.335,56 |
50.070,88 |
|
|
|
Vlaanderen |
5 |
4.351.754,93 |
42.774,96 |
|
|
|
Wallonië |
5 |
3.767.580,63 |
7.295,92 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Buitengewone
dienst |
||
|
|
|
aantal
provincies |
uitgaven
erediensten |
ontvangsten
erediensten |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Totaal |
10 |
3.342.522,56 |
1.607.743,12 |
|
|
|
Vlaanderen |
5 |
2.049.352,26 |
540.326,50 |
|
|
|
Wallonië |
5 |
1.293.170,30 |
1.067.416,62 |
|
Wat
de cijfergegevens betreft moet er op worden gewezen dat het gaat om de uitgaven
zonder hierbij een opsplitsing over de verschillende soorten erediensten te
maken. Het bedrag aan (verplichte) overdrachten aan de kerkfabrieken is
daarenboven slechts een (goede) benadering.
De
rooms-katholieke, de protestantse, anglicaanse en Israëlitische eredienst zijn
gemeentelijke bevoegdheid, terwijl de orthodoxe en islamitische eredienst met de
provinciale overheid te maken hebben.
De
lokale besturen (gemeenten of provincies) hebben een grote verantwoordelijkheid.
Zij buigen zich over de meerjarenplannen en budgetten en moeten deze goedkeuren.
Bij
de recente decretale hervorming werd door de Vlaamse Vereniging Steden en
Gemeenten (Hierna VVSG) er op gewezen dat het decreet geen ingrijpende
hervorming heeft doorgevoerd. De VVSG wees op de problematiek van de
“stijgende financiële bijdrage van de lokale overheden aan de
eredienstbesturen”. Deze problematiek werd niet ten gronde aangepakt. “Het
decreet is niet helemaal kostenneutraal voor de lokale besturen want de
oprichting van centrale besturen brengen indirect nieuwe kosten mee.”, aldus
de VVSG. Ook werd er gewezen op de
problematiek van de grensoverschrijdende parochies.
In
een evaluatie stelde de VVSG “ Wij durven concluderen dat het decreet, in het
parlement met een ruime meerderheid goedgekeurd, een verbetering is ten opzichte
van de vorige situatie, maar een echte vernieuwende regelgeving voor de
eredienstbesturen blijft zich opdringen.” Waarvan akte.
Wat
weten of menen wij te weten over het aantal aanhangers van de erkende
religies en levensbeschouwingen
Het
rapport van de eerste werkgroep probeerde ook hier – met het oog op een aanzet
tot correctere inschatting - een aantal bronnen en berekeningsmodellen bij
elkaar te brengen.
Volgens
de gunstigste berekening komt het procentuele aandeel van de
“rooms-katholieken” (met inbegrip van de ongelovigen, onverschilligen, en
vrijzinnigen die zich tot de rooms-katholieke kerk rekenen én de
niet-denominationeel gebonden “katholieken”) uit op 62% van de Belgische
bevolking.
Men
kan daar ook nog de groep aan toevoegen van de christenen die zichzelf niet als
protestants of katholiek beschouwen, niet tot een denominatie behoren en ook
niet tot een andere godsdienst dan het rooms-katholicisme horen. Als
men die groep christenen, die zichzelf overigens uitdrukkelijk niet beschouwt
als katholiek in enige zin, erbij voegt, komt men uit op 67% van de Belgische
bevolking.
De
berekening van de proportie “vrijzinnigen” stelt méér problemen. De
groep van de vrijzinnigen die niet tot een denominatie behoren, valt hier zeker
onder (6 % van de bevolking). Van de hele groep van de vrijzinnigen is er
trouwens 14% lid van het Humanistisch Verbond of één van zijn deelverenigingen.
Door eliminatie vallen dan weg uit de groep van de niet-denominationelen: de
christenen die noch protestant noch katholiek zijn; de katholieken, de groep
“geen van hiervoor genoemden”; diegenen die “onverschillig” staan
tegenover geloof. Men komt dan uit op 14% van de Belgische bevolking.
Een
vraag is of ook of de EVS-studie (Europese waardenstudie), door
onverschilligheid tegenover geloof in de vraagformulering op te nemen, niet
leidt tot een onderschatting van het aantal vrijzinnigen.
Een
vraag naar onverschilligheid tegenover levensbeschouwing zou hier een
ondubbelzinnig antwoord hebben opgeleverd. Telt
men die twijfelachtige groep eveneens op bij de groep van de vrijzinnigen komt
men tot het aller-gunstigste totaalcijfer van 19%. Men zou zich ook de vraag
kunnen stellen of men wel alle niet-denominationele ongelovigen tot de groep van
de (georganiseerde) vrijzinnigheid mag rekenen. Zeker is dat niet, maar de EVS-databank
bevat gegevens waaruit de gelijkgezindheid van deze twee groepen blijkt. Bij de
ongelovigen is 31% “overtuigd atheïst”; bij de vrijzinnigen is dat 35%. Bij
de ongelovigen is 65% “geen religieus persoon”, bij de vrijzinnigen 50%. De
rest verklaart zich zelf “religieus”. Bij dergelijke groepen verwijst deze
religiositeit zeker niet naar een vorm van christianisme.
Budgettaire
projecties
Wat
kosten de religies en levenbeschouwingen de Federale Overheid en wat kan de
toekomst brengen? Wij herinneren eraan dat de kost ten laste van het budget van
de Federale Overheid slechts een fractie van de werkelijke uitgavenstroom is.
Men kan zich dus afvragen welke verschuivingen voormelde schattingen zouden
teweeg brengen indien ze worden toegepast op het budget.
Ter
heninnering: thans gaat ongeveer 89,41 % (87.840.416 euro) van het totale budget
(98.239.000 euro ) (inclusief islam) naar de katholieke eredienst (hierna RK) en
de georganiseerde vrijzinnigheid. Wij hanteren hiervoor de cijfers van 2006.
Eerste vaststelling is dat belangrijke verschuivingen mogelijk zijn. De
“toelage” voor de vrijzinnigen zou, in functie van de gehanteerde hypothese
kunnen stijgen van 10.090.000 € tot 16.180.205 € of zelfs 19.403.948 €.Voor
de RK heeft dit een daling van 77.750.416 € tot 71.660.211 € of zelfs tot
68.436.468 € tot gevolg.
De
Commissie wijst er op dat een poging tot vaststelling, op basis van
wetenschappelijk onderzoek, van de proporties aanhangers van de erediensten /
georganiseerde vrijzinnigheid een tweesporenbeleid kan volgen:
(1)
uitgaan van de geaccepteerde verdeling voor de minderheidserediensten; (2)
empirisch vaststellen van de proporties katholieken en vrijzinnigen op basis van
een anonieme bevraging met representatieve steekproef.
Het
belangrijkste knelpunt in dit dossier is de eenvoudige gelijkschakeling van de
wedden van de bedienaren van de erediensten en de afgevaardigden van de
vrijzinnigheid. Indien men zich beperkt tot een eenvoudige gelijkschakeling -
zonder andere maatregelen – dan zou in vergelijking met de aanvangssituatie
een verhoging van het budget van ongeveer 98 mio euro naar 129 mio euro
noodzakelijk zijn (een verhoging met 31,6 %).
Na
5 jaar dient het budget verhoogd met nog eens 16,5 mio euro tot 145,5 (verhoging
met 58,5 % t.o.v. het jaar 2006). Het bedrag van 145,5 mio euro houdt echter
geen rekening met toekomstige indexeringsbewegingen. Als men aanneemt dat de
indexering 2% bedraagt om de 18 maanden, stijgt het na 5 jaar vereiste budget
tot 154 mio euro. Bij een jaarlijks indexeringsritme van 2 % is 160 mio euro
nodig.
Conclusie
Simulaties
en projecties moeten zo goed als mogelijk steunen op accuraat cijfermateriaal.
En daar wringt het schoentje.
Wil
men behoorlijke informatie over bijvoorbeeld personeelsaantallen dan begint
alles bij een efficiënt personeelsbeheer. Wil men een goed zicht hebben op de
geldstromen dan is transparantie m.b.t. de uitgaven ten laste van de overheden
en m.b.t. de componenten van de inkomsten van de bedienaren en van de
afgevaardigden van de vrijzinnigheid een must.
Men
kan zich alvast op korte termijn verwachten aan de erkenningsaanvraag van
boeddhisme en hindoeïsme.
Los
van de erkenning en betoelaging zal men onvermijdelijk ook in het onderwijs een
aanbod moeten verzorgen. Momenteel bedraagt de kost +/- 174 miljoen € in
Vlaanderen (73, 6 % katholicisme, 16,6 % zedenleer, islam 5,2 %), +/- 110
miljoen € in Wallonië (59,5 % katholicisme, 23,8 % zedenleer, islam 9,3 %) en
voor Brussel is dit +/- 284 miljoen € (67,9 % katholicisme, 19,7% zedenleer,
6,6 % islam).
Men
kan daarenboven niet naast de vaststelling dat bepaalde religies in se niet
onder één noemer te brengen zijn. Zo zijn alleen al binnen de islam diverse
fracties te onderscheiden.
Het
is eveneens geweten dat er belangrijke geldstromen richting Europa bestaan.
Bepaalde van deze “milde schenkers” hebben niet steeds even “zuivere”
bedoelingen. Bij het “herdenken” van de financiering moet rekening worden
gehouden met deze realiteit.
Er
moet dus zeker dringend werk worden gemaakt van een instrumentarium dat toelaat
die gegevens te verzamelen die, bij ongewijzigd beleid, een faire verdeling van
de budgettaire middelen mogelijk maakt.
De
simulaties tonen ook - kort samengevat - aan dat het huidige budget voor wedden
voor de erediensten en de georganiseerde vrijzinnigheid betreft, tegen 2014 met
ongeveer de helft zou moeten worden verhoogd.
De
verhoging van de wedden heeft ook een weerslag op de pensioenuitgaven, zowel van
de lopende als van de toekomstige. En dit is ook een heikel punt.
Elk
model voor egalisering zonder begeleidende maatregelen op de korte termijn zal
leiden tot budgettaire ontsporing.
Tot
slot.
Rijden
we ons, als vrijzinnigen, niet vast in onze frenetieke neiging om onze eigen
“zuil” te maken. Door de “geldstromen” achterna te hollen? En verliezen
we hierbij onze identiteit niet? Wat maakt de vrijzinnigen immers tot wat ze
zijn. Raken we ons verhaal nog wel kwijt? En wat is ons verhaal eigenlijk? Dit
is een pertinente vraag die onder meer Philippe Julian (De Geus – Gent) stelt.
Ondertussen stelt men vast dat vele van onze actiepunten gerealiseerd zijn en
dat de elementen “vrijzinnigheid”, “humanisme”, “tolerantie”… ook
overgenomen werden door anderen. Zelfs de operator Base maakte van” freedom of
speech” zijn lijfspreuk.
Zelfgenoegzaamheid
is te mijden. Durven de vrijzinnigen “tabula rasa” maken?
Alain
Vannieuwenburg