Enkele kanttekeningen bij de huidige federale financiering van de bedienaren van de erediensten en van de afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige Raad

   

Hoe zit het met de financiering van de bedienaren van de erediensten en van de afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige Raad?

 Wat is momenteel het prijskaartje. Wat staat de belastingsbetaler te wachten indien er nog “betoelaagbare” erediensten en levensbeschouwingen in aanmerking moeten worden genomen? Hebben we eigenlijk wel zicht op de kostprijs van die religieuze en levensbeschouwelijke vrijheid? Of is het ook hier weer - naar Belgische gewoonte - koffiedik kijken?

 Moet de overheid religies en levensbeschouwingen überhaupt een bijzondere status verschaffen en/of deze betoelagen? Moeten andere betoelagingsmechanismen niet worden overwogen? Of schaffen we dit alles af? Kan men zich blijven verbergen achter het “maatschappelijk nut” van religies en levensbeschouwingen om te betoelagen?

 De huidige regeling, die verankerd werd in de Grondwet, is zwanger van een welbepaalde “tijdsgeest”. De bepalingen waarnaar in se nog steeds wordt gerefereerd dateren uit 1831. De “School van Mechelen” - een stroming rond aartsbisschop De Méan – had een zeer grote invloed op het Nationaal Congres (dat hoofdzakelijk uit katholieken bestond). Zijn wensen werden als het ware verankerd in de prille Belgische Grondwet. Los van de vrijheid van eredienst, de vrijheid van de cultus, de vrijheid van onderwijs en de niet-inmenging van de Staat in kerkelijke aangelegenheden werden ook financiële afspraken gemaakt (de wedden van de bedienaars van de eredienst worden gedragen door de Staat).

 Ondertussen “evolueerde” de samenleving.

 Legale en (al dan niet getolereerde) illegale, tijdelijke en duurzame (im)migratie en arbeidsmigratie, maken van Europa en België een multireligieuze en multiculturele samenleving. Het is niet ondenkbeeldig dat deze numeriek steeds belangrijkere wordende groepen – bij ongewijzigd beleid - eveneens toegang zullen eisen tot de “subsidiemarkt” en dus onvermijdelijk ook aanspraak zullen willen maken op allerhande faciliteiten (onderwijs…).

 De scheiding tussen kerk en staat wordt daarenboven meer en meer aangetast. Ook in bepaalde vrijzinnige kringen wordt, met enkele uithalen naar de zogeheten dogma’s van de Verlichtingsfilosofen, de bescherming van dit basisprincipe niet langer als essentieel gezien. De voorrang van het burgerlijke recht op religieuze voorschriften en de de fac to neutraliteit van de overheid staan sterk onder druk.

 Zoals hierna zal blijken kan men, in de huidige stand van zaken, niet naast de vaststelling dat de huidige regeling “voor verbetering vatbaar is”. Het huidige systeem is immers allesbehalve transparant. De werkelijke “kost” is niet bekend. Uitbreiding van erkenningen dreigt een zéér dure aangelegenheid te worden.

 In de ons omringende landen worden andere pistes bewandeld. In Nederland is de financiering stopgezet na een éénmalige afkoop van bepaalde “verplichtingen”. In Duitsland bestaat een “Kirchensteuer”.

 Quo vadis België of moeten we zeggen Vlaanderen?

 

 Op 3 juni 2009 verscheen in het Belgisch Staatsblad het Koninklijk besluit houdende oprichting van een werkgroep belast met de hervorming van de wetgeving betreffende erediensten en niet-confessionele levensbeschouwelijke organisaties. Bij de Federale Overheidsdienst Justitie werd deze werkgroep ondertussen opgestart.

 De werkzaamheden van deze commissie sluiten aan bij de werkzaamheden verricht door een eerdere commissie die belast was met het onderzoek van het statuut van de bedienaars van de erkende erediensten.

 Door deze commissie werd een zeer lijvig (240 blz.), onthutsend doch zeer interessant rapport opgesteld (en gepubliceerd) met als titel “De federale financiering van de bedienaren der erediensten en de afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige Raad” (2005-2006).

 Het loont de moeite zich door dit rapport te “worstelen”. De lezer, die we hier op sleeptouw nemen, dient er rekening mee te houden dat hier enkel de “federale” financiering onder de loep werd gelegd. Was dit een vrij moeilijke oefening, dan is het inderdaad nog moeilijker om op het niveau van de ondergeschikte besturen, d.w.z. steden, gemeenten en provincies, een sluitende inventaris te maken van de geldstromen. Ook de geldstromen die via het welzijnswerk, het onderwijs, het sociale- en culturele werk, de “kerkfabrieken”… transiteren hebben we het hier eveneens niet. Hier en daar lichten we toch een tipje van de sluier op.

 

 Deze commissie had een dubbele opdracht:

  1. enerzijds een onderzoek door te voeren naar de mogelijke ongelijkheden tussen de stelsels die van toepassing zijn op de bedienaars van de erediensten en de afgevaardigden van de georganiseerde vrijzinnigheid en
  2. anderzijds concrete - onderbouwde - voorstellen te formuleren die konden leiden tot een optimalere coördinatie van de wetgeving en dito regelgeving wat betreft erediensten en de georganiseerde vrijzinnigheid en dit m.b.t. alle mogelijke aspecten (wedden, lonen, statuut, sociale zekerheid, pensioen …).

 Deze commissie die onder meer rekening heeft gehouden met de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en non-discriminatie, inventariseerde alle knelpunten en ongerijmdheden, maakte berekeningen en projecteerde de kosten rekening houdende met diverse mogelijke variabelen en formuleerde vele voorstellen tot aanpassing.

 Gesprekspartners waren onder andere de representatieve organen van de erkende erediensten en de Centrale Vrijzinnige Raad. Ook deskundigen, zoals medewerkers van het Rekenhof, werden gehoord.

 Thans is dus een “nieuwe” werkgroep actief die als opdracht heeft gekregen een uitvoerig verslag op te stellen over de (noodzakelijke) hervorming en die voorstellen moet formuleren met het oog op een coördinatie van de federale wetgeving die van toepassing is op de erediensten en op de niet-confessionele levensbeschouwelijke organisaties. De conclusies van de werkgroep moeten op 30 september 2010 overgemaakt worden aan de aan de Minister van Justitie.

 

 

De eerste doorlichting leverde een eerder onthutsende inventaris op van merkwaardige en vaak ongekende dan wel zedig verzwegen inkonsekwenties en liberaliteiten, ad-hoc constructies en sui generis-toestanden.

 Hierbij kan onder meer worden verwezen naar de erkenningscriteria, het statuut en de financiering van de representatieve organen, de personeelsformaties en het statuut van de bedienaars van de erediensten en van de afgevaardigden van de niet-confessionele levensbeschouwelijke organisaties.

 Ook bepaalde problemen zoals ongelijkheden op het vlak van de pensioenen (toepassing van diverse teller/noemer-systemen met als gevolg voordeligere/nadeligere pensioenberekeningen), pogingen om het stelsel van toepassing voor priesters… ook toepasbaar te maken op lekenhelpers, inkonsekwenties dan wel niet langer houdbare particulariteiten op sociaal en fiscaal vlak en op het vlak van wedden, werden vastgesteld. Wat dit laatste betreft werd onder meer verwezen naar de cumulatie van functies (150 % regel voor priesters), de al dan niet belastbaarheid van bepaalde voordelen, de onduidelijkheden m.b.t. specifieke inkomsten (bijvoorbeeld het casueel bij priesters). Tevens is er het probleem van het kader en de van de wedden van de parochieassistenten

 Ook de erkenning van de islam (denk maar aan alle vastgestelde problemen betreffende het gebruik en misbruik van de toegestane subsidies door de Moslimexecutieve), het delicate aspect van de vorming van imams en de mogelijke erkenning van andere niet - confessionele groepen (denk aan het Boeddhisme) met alle budgettaire consequenties van dien, zijn aandachtspunten.

 De belangrijke uitdagingen liggen echter, rekening houdende met de meer dan zorgwekkende toestand van de openbare financiën, overduidelijk op het budgettaire vlak.

 

 De Belgische Grondwet bevat verscheidene bepalingen over de relatie tussen de Staat en de levensbeschouwelijke strekkingen. De levensbeschouwelijke strekkingen worden expliciet vermeld in een zestal grondwetsartikelen (hierna GW).

 De bijzondere vrijheid toegekend aan de erediensten door de Belgische Grondwet via de artikelen 19, 20 en 21 wordt gecompleteerd in artikel 181 met een subsidiëringsregeling voor de bedienaren van de erediensten en de afgevaardigden van de vrijzinnigheid.  

De Belgische Staat opteert niet voor “neutraliteit” van de Staat tegenover de erediensten, in de zin van een onthouding van financiële tussenkomst. Er heerst integendeel een actief ondersteund wereldbeschouwelijk pluralisme, dat bijdraagt tot een effectief genot van de vrijheid van eredienst.

 Belangrijk is onder meer het artikel 181 GW. Artikel 181 § 1 is steeds zo geïnterpreteerd dat de verplichting tot het betalen van wedden en pensioenen van de bedienaren der erediensten enkel geldt t.o.v. erediensten waarvan de wetgever oordeelt dat ze “van algemeen maatschappelijk nut” zijn. Het erkenningsmechanisme kent dus duidelijke voordelen toe aan de erkende erediensten en behandelt de erediensten dus in wezen ongelijk.

Die ongelijkheid heeft echter een objectieve en in principe toetsbare grondslag: het maatschappelijk nut van de eredienst / levensbeschouwing. Ook al vergt de toepassing van dit criterium een appreciatie, duidelijk is dat het geen verschil maakt tussen erediensten op grond van leerstellige inhouden, maar enkel op basis van seculiere overwegingen. De overheid heeft duidelijk een “stok achter de deur” om erediensten en gelijkgestelden te “sanctioneren” indien zij “ondemocratische” gedrag vertonen. In de actuele context is dit niet onbelangrijk. Of zij daar effectief ook gebruik van zal durven maken is een andere zaak.

Naast de grondwettelijke bepalingen waarin de wijsgerige en godsdienstige strekkingen expliciet worden erkend, zijn er ook verscheidene andere bepalingen, waarin geen sprake is van erediensten, maar die rechtstreeks of onrechtstreeks relevant kunnen zijn voor de verhouding tussen de levensbeschouwelijke strekkingen en de Staat en dus best worden “samengelezen”.

Dit is het geval voor het artikel 22 van de Grondwet, waarin “het recht op eerbiediging van zijn privéleven en zijn gezinsleven” is bekrachtigd en dat wordt verstaan als een waarborg voor het recht op een persoonlijke levenssfeer. Dit artikel maakt het onmogelijk om een “subsidieregeling” uit te dokteren in functie van het aantal “adepten” van deze of gene religie of levensbeschouwelijke overtuiging.

 

Aldus kan, meer in het bijzonder, geen wet noch de regelgeving betreffende het statuut van de bedienaars van de erediensten en van de afgevaardigden van de vrijzinnigheid, in het bijzonder tot gevolg hebben dat de Belgen of de vreemdelingen die beschermd worden door artikel 191 GW onder de ene of de andere vorm hun godsdienstige overtuiging te kennen moeten geven (bijvoorbeeld naar aanleiding van een volkstelling of de invulling van de belastingaangifte).

 

Het is de burgerlijke overheid eveneens niet veroorloofd na te gaan of iemand een godsdienst belijdt en welke. De gegevens m.b.t. iemands levensbeschouwelijke overtuiging worden beschermd door de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

 

Als gevolg van deze “bescherming van het recht op een persoonlijke levenssfeer” sluit het voormelde artikel de verdeling van het begrotingsbedrag dat werd  uitgetrokken ten voordele van de bedienaren van de erkende erediensten en de georganiseerde vrijzinnigheid, op basis van een niet-anonieme rondvraag naar aantallen gelovigen, de fac to uit.

 

Het kan anders. Een voorbeeld is het Italiaanse allocatiestelsel op basis van gegevens verstrekt door de belastingplichtige over diens wensen m.b.t. de levensbeschouwelijke bestemming van een deel van de belastingsinkomsten.

 

Een alternatief zou de federale volksraadplegingen kunnen zijn. Ook dit is onmogelijk en op grond van art. 33 GW en in het bijzonder op grond van art. 20 GW voor zover het de vrijheid van meningsuiting en van eredienst aangaat.

 

De Commissie herinnerde er in de conclusies ook aan dat zowel bij een federale volksraadpleging als bij een raadpleging ter gelegenheid van verkiezingen voorbij zou worden gegaan aan de niet-kiesgerechtigdheid van vele leden van de erkende erediensten. Dit geldt in het bijzonder voor de islam, de anglicaanse, de orthodoxe, en de (evangelisch-)protestantse godsdienst, en zelfs voor de recent ingeweken katholieke gelovigen uit bijvoorbeeld Polen en Afrika.

 

Soms verbindt men de praktische moeilijkheid van art. 22 GW met art. 21 GW (de autonomie van de erediensten), zodat gegevens over aantallen gelovigen in principe worden verstrekt door de kerkelijke of religieuze overheid en deze niet in twijfel mogen worden getrokken door de burgerlijke overheid.

 

In de praktijk lijken “het aantal gelovigen, de historische aanwezigheid in België, en de structurering van de geloofsgemeenschap de meest algemeen toegepaste criteria”.

 

Er moet nog worden opgemerkt dat twee andere criteria worden gebruikt naast de drie voornoemde: dat van de verenigbaarheid van de eredienst met de openbare orde en dat van het maatschappelijk belang van die eredienst. Ook dit gegeven is, rekening houdende met wat we maar eufemistisch “bepaalde ontwikkelingen op het terrein” zullen heten, niet onbelangrijk.

 

 

Artikel 4 van de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen heeft op zijn beurt – maar dan wat de gewesten betreft – het stelsel van de bevoegdheden inzake de erediensten grondig gewijzigd.

 

De verdeling van de bevoegdheden is, schematisch, als volgt vastgelegd:

 

Aangelegenheden die onder de federale bevoegdheid vallen, in overeenstemming met artikel 6, §1, VIII, 6° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980:

de erkenning van de eredienst;

de wedden en pensioenen van de bedienaren van de erediensten;

 

vallen onder de gewestelijke bevoegdheid:

de voogdij over de kerkfabriek;

de controle op werken en de toelating voor deze werken;

de controle en de toelating voor vastgoedverrichtingen;

de controle op de budgetten en rekeningen;

de toelating voor schenkingen en legaten wanneer het wettelijk vrijstellingsbedrag wordt overschreden;

de erkenning van parochiegemeenschappen en de wetgeving ter zake.

 

Aangezien de vrijzinnigheid nergens wordt vermeld in de bijzondere wet van 13 juli 2001, wordt er van uitgegaan dat deze volledig onder de federale bevoegdheid gebleven is. Er moet nochtans worden benadrukt dat dit een bron van moeilijkheden kan zijn. Om de gelijkheid tussen de erkende niet-confessionele gemeenschappen en de erkende erediensten te verzekeren, moet het federale niveau rekening houden met alles wat op gewestelijk niveau gebeurt, een niveau dat niet rechtstreeks kan handelen op het gebied van de georganiseerde vrijzinnigheid.

 

Binnen vrijzinnige kringen worden diverse denkpistes ontwikkeld om te komen tot een objectievere, billijkere en coherentere betoelaging.

   

 

Niet enkel de federale overheid komt tussen. Ook de steden, gemeenten en provincies zijn “medespelers”. Zij zijn immers op bepaalde vlakken bevoegd.  Wij gaan hier niet diep op in. Er kan bijvoorbeeld worden verwezen naar de huisvestingsverplichting van de bedienaars van de eredienst. Er is een verplichting t.a.v. de gemeente (of provincie) om de bedienaar van de eredienst een pastorie te bezorgen, of, bij gebrek aan pastorie, een woning, of bij gebrek aan pastorie of woongelegenheid, een financiële compensatie.

 

In een poging om enkele zaken in kaart te brengen werden gegevens bij de studiedienst van DEXIA opgevraagd en in kaart gebracht.

 

Rekeningen 2007

 

 

 

 

Gemeenten

 

 

Gewone dienst

 

 

aantal gemeenten

uitgaven erediensten

ontvangsten erediensten

Overdrachten kerkfabrieken e.a.

 

Totaal

573

94.339.726,04

2.758.892,44

71.749.995,71

 

Vlaanderen

300

47.108.397,02

788.646,29

43.521.416,57

 

Wallonië

254

41.717.984,89

1.466.601,20

26.931.478,09

 

Brussel

19

5.513.344,13

503.644,95

1.297.101,05

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Buitengewone dienst

 

 

aantal gemeenten

uitgaven erediensten

ontvangsten erediensten

 

 

Totaal

573

68.968.917,60

18.635.543,81

 

 

Vlaanderen

300

48.938.967,27

10.817.375,42

 

 

Wallonië

254

16.331.591,88

5.946.458,49

 

 

Brussel

19

3.698.358,45

1.871.709,90

 

 

 

 

 

 

 

Rekeningen 2006

 

 

 

 

Provinces

 

 

Gewone dienst

 

 

aantal provincies

uitgaven erediensten

ontvangsten erediensten

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

10

8.119.335,56

50.070,88

 

 

Vlaanderen

5

4.351.754,93

42.774,96

 

 

Wallonië

5

3.767.580,63

7.295,92

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Buitengewone dienst

 

 

aantal provincies

uitgaven erediensten

ontvangsten erediensten

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

10

3.342.522,56

1.607.743,12

 

 

Vlaanderen

5

2.049.352,26

540.326,50

 

 

Wallonië

5

1.293.170,30

1.067.416,62

 

 

 

Wat de cijfergegevens betreft moet er op worden gewezen dat het gaat om de uitgaven zonder hierbij een opsplitsing over de verschillende soorten erediensten te maken. Het bedrag aan (verplichte) overdrachten aan de kerkfabrieken is daarenboven slechts een (goede) benadering.

 

De rooms-katholieke, de protestantse, anglicaanse en Israëlitische eredienst zijn gemeentelijke bevoegdheid, terwijl de orthodoxe en islamitische eredienst met de provinciale overheid te maken hebben.

 

De lokale besturen (gemeenten of provincies) hebben een grote verantwoordelijkheid. Zij buigen zich over de meerjarenplannen en budgetten en moeten deze goedkeuren.

 

Bij de recente decretale hervorming werd door de Vlaamse Vereniging Steden en Gemeenten (Hierna VVSG) er op gewezen dat het decreet geen ingrijpende hervorming heeft doorgevoerd. De VVSG wees op de problematiek van de “stijgende financiële bijdrage van de lokale overheden aan de eredienstbesturen”. Deze problematiek werd niet ten gronde aangepakt. “Het decreet is niet helemaal kostenneutraal voor de lokale besturen want de oprichting van centrale besturen brengen indirect nieuwe kosten mee.”, aldus de VVSG.  Ook werd er gewezen op de problematiek van de grensoverschrijdende parochies.

 

In een evaluatie stelde de VVSG “ Wij durven concluderen dat het decreet, in het parlement met een ruime meerderheid goedgekeurd, een verbetering is ten opzichte van de vorige situatie, maar een echte vernieuwende regelgeving voor de eredienstbesturen blijft zich opdringen.” Waarvan akte.

 

 

Het rapport van de eerste werkgroep probeerde ook hier – met het oog op een aanzet tot correctere inschatting - een aantal bronnen en berekeningsmodellen bij elkaar te brengen.

 

Volgens de gunstigste berekening komt het procentuele aandeel van de “rooms-katholieken” (met inbegrip van de ongelovigen, onverschilligen, en vrijzinnigen die zich tot de rooms-katholieke kerk rekenen én de niet-denominationeel gebonden “katholieken”) uit op 62% van de Belgische bevolking.

 

Men kan daar ook nog de groep aan toevoegen van de christenen die zichzelf niet als protestants of katholiek beschouwen, niet tot een denominatie behoren en ook niet tot een andere godsdienst dan het rooms-katholicisme horen. Als men die groep christenen, die zichzelf overigens uitdrukkelijk niet beschouwt als katholiek in enige zin, erbij voegt, komt men uit op 67% van de Belgische bevolking.

 

De berekening van de proportie “vrijzinnigen” stelt méér problemen. De groep van de vrijzinnigen die niet tot een denominatie behoren, valt hier zeker onder (6 % van de bevolking). Van de hele groep van de vrijzinnigen is er trouwens 14% lid van het Humanistisch Verbond of één van zijn deelverenigingen. Door eliminatie vallen dan weg uit de groep van de niet-denominationelen: de christenen die noch protestant noch katholiek zijn; de katholieken, de groep “geen van hiervoor genoemden”; diegenen die “onverschillig” staan tegenover geloof. Men komt dan uit op 14% van de Belgische bevolking.

 

Een vraag is of ook of de EVS-studie (Europese waardenstudie), door onverschilligheid tegenover geloof in de vraagformulering op te nemen, niet leidt tot een onderschatting van het aantal vrijzinnigen.

Een vraag naar onverschilligheid tegenover levensbeschouwing zou hier een ondubbelzinnig antwoord hebben opgeleverd. Telt men die twijfelachtige groep eveneens op bij de groep van de vrijzinnigen komt men tot het aller-gunstigste totaalcijfer van 19%. Men zou zich ook de vraag kunnen stellen of men wel alle niet-denominationele ongelovigen tot de groep van de (georganiseerde) vrijzinnigheid mag rekenen. Zeker is dat niet, maar de EVS-databank bevat gegevens waaruit de gelijkgezindheid van deze twee groepen blijkt. Bij de ongelovigen is 31% “overtuigd atheïst”; bij de vrijzinnigen is dat 35%. Bij de ongelovigen is 65% “geen religieus persoon”, bij de vrijzinnigen 50%. De rest verklaart zich zelf “religieus”. Bij dergelijke groepen verwijst deze religiositeit zeker niet naar een vorm van christianisme.

 

 

Wat kosten de religies en levenbeschouwingen de Federale Overheid en wat kan de toekomst brengen? Wij herinneren eraan dat de kost ten laste van het budget van de Federale Overheid slechts een fractie van de werkelijke uitgavenstroom is. Men kan zich dus afvragen welke verschuivingen voormelde schattingen zouden teweeg brengen indien ze worden toegepast op het budget.

 

Ter heninnering: thans gaat ongeveer 89,41 % (87.840.416 euro) van het totale budget (98.239.000 euro ) (inclusief islam) naar de katholieke eredienst (hierna RK) en de georganiseerde vrijzinnigheid. Wij hanteren hiervoor de cijfers van 2006. Eerste vaststelling is dat belangrijke verschuivingen mogelijk zijn. De “toelage” voor de vrijzinnigen zou, in functie van de gehanteerde hypothese kunnen stijgen van 10.090.000 € tot 16.180.205 € of zelfs 19.403.948 €.Voor de RK heeft dit een daling van 77.750.416 € tot 71.660.211 € of zelfs tot 68.436.468 € tot gevolg.

 

De Commissie wijst er op dat een poging tot vaststelling, op basis van wetenschappelijk onderzoek, van de proporties aanhangers van de erediensten / georganiseerde vrijzinnigheid een tweesporenbeleid kan volgen:

(1) uitgaan van de geaccepteerde verdeling voor de minderheidserediensten; (2) empirisch vaststellen van de proporties katholieken en vrijzinnigen op basis van een anonieme bevraging met representatieve steekproef.

 

Het belangrijkste knelpunt in dit dossier is de eenvoudige gelijkschakeling van de wedden van de bedienaren van de erediensten en de afgevaardigden van de vrijzinnigheid. Indien men zich beperkt tot een eenvoudige gelijkschakeling - zonder andere maatregelen – dan zou in vergelijking met de aanvangssituatie een verhoging van het budget van ongeveer 98 mio euro naar 129 mio euro noodzakelijk zijn (een verhoging met 31,6 %).

 

Na 5 jaar dient het budget verhoogd met nog eens 16,5 mio euro tot 145,5 (verhoging met 58,5 % t.o.v. het jaar 2006). Het bedrag van 145,5 mio euro houdt echter geen rekening met toekomstige indexeringsbewegingen. Als men aanneemt dat de indexering 2% bedraagt om de 18 maanden, stijgt het na 5 jaar vereiste budget tot 154 mio euro. Bij een jaarlijks indexeringsritme van 2 % is 160 mio euro nodig.

 

 

Simulaties en projecties moeten zo goed als mogelijk steunen op accuraat cijfermateriaal. En daar wringt het schoentje.

Wil men behoorlijke informatie over bijvoorbeeld personeelsaantallen dan begint alles bij een efficiënt personeelsbeheer. Wil men een goed zicht hebben op de geldstromen dan is transparantie m.b.t. de uitgaven ten laste van de overheden en m.b.t. de componenten van de inkomsten van de bedienaren en van de afgevaardigden van de vrijzinnigheid een must.

 

Men kan zich alvast op korte termijn verwachten aan de erkenningsaanvraag van boeddhisme en hindoeïsme.

 

Los van de erkenning en betoelaging zal men onvermijdelijk ook in het onderwijs een aanbod moeten verzorgen. Momenteel bedraagt de kost +/- 174 miljoen € in Vlaanderen (73, 6 % katholicisme, 16,6 % zedenleer, islam 5,2 %), +/- 110 miljoen € in Wallonië (59,5 % katholicisme, 23,8 % zedenleer, islam 9,3 %) en voor Brussel is dit +/- 284 miljoen € (67,9 % katholicisme, 19,7% zedenleer, 6,6 % islam).

 

Men kan daarenboven niet naast de vaststelling dat bepaalde religies in se niet onder één noemer te brengen zijn. Zo zijn alleen al binnen de islam diverse fracties te onderscheiden.

 

Het is eveneens geweten dat er belangrijke geldstromen richting Europa bestaan. Bepaalde van deze “milde schenkers” hebben niet steeds even “zuivere” bedoelingen. Bij het “herdenken” van de financiering moet rekening worden gehouden met deze realiteit.

 

Er moet dus zeker dringend werk worden gemaakt van een instrumentarium dat toelaat die gegevens te verzamelen die, bij ongewijzigd beleid, een faire verdeling van de budgettaire middelen mogelijk maakt.

 

De simulaties tonen ook - kort samengevat - aan dat het huidige budget voor wedden voor de erediensten en de georganiseerde vrijzinnigheid betreft, tegen 2014 met ongeveer de helft zou moeten worden verhoogd.

 

De verhoging van de wedden heeft ook een weerslag op de pensioenuitgaven, zowel van de lopende als van de toekomstige. En dit is ook een heikel punt.

 

Elk model voor egalisering zonder begeleidende maatregelen op de korte termijn zal leiden tot budgettaire ontsporing.

 

Tot slot.

 

Rijden we ons, als vrijzinnigen, niet vast in onze frenetieke neiging om onze eigen “zuil” te maken. Door de “geldstromen” achterna te hollen? En verliezen we hierbij onze identiteit niet? Wat maakt de vrijzinnigen immers tot wat ze zijn. Raken we ons verhaal nog wel kwijt? En wat is ons verhaal eigenlijk? Dit is een pertinente vraag die onder meer Philippe Julian (De Geus – Gent) stelt. Ondertussen stelt men vast dat vele van onze actiepunten gerealiseerd zijn en dat de elementen “vrijzinnigheid”, “humanisme”, “tolerantie”… ook overgenomen werden door anderen. Zelfs de operator Base maakte van” freedom of speech” zijn lijfspreuk.

 

Zelfgenoegzaamheid is te mijden. Durven de vrijzinnigen “tabula rasa” maken?

 

 

Alain Vannieuwenburg

 

 

Terug naar de Homepage