Waarheen met het Gemeenschapsonderwijs (GO!)
In de marge van het colloquium over secularisme dat medio maart heeft plaatsgevonden, werd ingegaan op een recent arrest van de Raad van State, waarbij de beslissing van de Raad van het Gemeenschapsonderwijs (GO!) van 11 september 2009 tot een algemeen en principieel verbod om zichtbare religieuze en levensbeschouwelijke kentekens te dragen in alle instellingen van het gemeenschapsonderwijs, op de "helling" wordt gezet.
Zoals de lezer zich ongetwijfeld herinnert beval, op vordering van een moslimleerlinge, de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging van deze beslissing en werd aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag gesteld. Vermoedelijk kan men zich eind dit jaar aan een arrest van dit Hof verwachten.
Het GO! betreurde de beslissing in een mededeling en was van oordeel dat de Raad van State op deze wijze voor verwarring zorgde. Dit was onder andere ook het standpunt van Karin Heremans, directrice van het Koninklijk Atheneum in Antwerpen. Voor diverse scholen verandert er immers niets.
Daar blijft het hoofddoekverbod op grond van de eigen schoolreglementen onverkort van kracht.De actie van de minderjarige moslima is geen alleenstaand geval. Zo diende in maart 2010 een hoofddoekdragende lerares nog een verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in bij de Raad van State van een beslissing van de gemeenteraad van Charleroi met het oog op het bekomen van voorlopige maatregelen en tot het opleggen van een dwangsom. Volgens een reglement van de stad Charleroi mogen de leerkrachten immers geen uiterlijke religieuze, politieke of filosofische symbolen dragen binnen de muren van de secundaire gemeenteschool waar ze zijn aangesteld zijn. Deze beperking is eveneens geldig buiten de schoolmuren, weliswaar beperkt tot situaties in relatie tot de uitoefening van hun ambt. De lerares vocht het reglement zelf aan omdat zij haar hoofddoek ook bij de wiskundeles wou blijven dragen. De Raad van State oordeelde dat niet was aangetoond dat er sprake was van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel en wees het verzoek als onontvankelijk af. Wordt ongetwijfeld vervolgd.
De onderscheiden politieke families reageerden niet steeds even unaniem en het secretariaat van het katholieke onderwijs onderstreepte de autonomie van haar scholen.
Het arrest van de Raad van State beroerde nog andere gemeenschappen. De Limburgse Sikhgemeenschap reageerde door te stellen dat in het geval van een verbod men zou overgaan tot het oprichten van eigen scholen … of België zou verlaten.
In een studie "De islam en de hoofddoek in België, een bredere benadering", onderzocht Etienne Vermeersch de hoofddoekenproblematiek. Interessant is hierbij dat hij deze problematiek in een ruimer kader plaatst, pro’s en contra’s afweegt en uiteindelijk een gemotiveerd standpunt naar voor brengt. Vermeersch is voorstander van een hoofddoekverbod bij het uitoefenen van bepaalde functies. Hij benadrukt dat dit niet tegen de islam is gericht. Daarbij verwijst hij naar de in het verleden gevoerde acties tegen de verplichting om bij het afleggen van een eed te verwijzen naar God en naar het verwijderen van kruisbeelden uit de rechtbanken. De vraag die Vermeersch stelt is een oude vraag "U (moslima) staat voor een onoverkomelijk dilemma. Ofwel is de hoofddoek een kledingstuk dat u graag draagt, zonder enige symboolwaarde. Maar waarom er dan zo hardnekkig aan vasthouden? Ofwel draagt u die op grond van enkele koranverzen en dan is het symboolaspect evident: trouw aan een traditionele interpretatie van de koran."
Anderen hadden het zelfs over "de kwalijke geur van westerse waarden en normen" en vergeleken de aanpak van het moslimfundamentalisme met de praktijken tijdens het nationaal –socialistisch regime. En men kon zelfs lezen "dat Imam Taloui voor moslims opkomt zoals destijds Cardijn voor de jonge arbeid(st)ers".
Een aandachtige lezing van het arrest van de Raad van State en een voorafbeelding van de mogelijke gevolgen van een standpuntbepaling door het Grondwettelijk Hof laten echter vermoeden dat er veel meer aan de hand zou kunnen zijn dan het al dan niet tolereren van religieuze en levensbeschouwelijke kentekens.
In de hiernavolgende tekst gaan wij niet enkel nader in op de argumenten van verzoekende partij en van de verwerende partij (GO!) zoals die blijken uit het arrest, maar vestigen wij ook de aandacht op de mogelijke gevolgen voor de neutraliteit en de autonomie van het GO.
De beslissing van het GO! om geen zichtbare levensbeschouwelijke tekenen meer toe te laten op school lost niet alle problemen op die aanhangers van sommige godsdiensten op vandaag in het gemeenschapsonderwijs creëren (bv. problemen in turnles, biologieles, maaltijden, aanvaarding gezag vrouwelijke leerkrachten en directies, etc.), maar ze trekt een duidelijke grens om de neutraliteit van het onderwijs te kunnen vrijwaren voor alle kinderen en alle ouders die het GO! kiezen precies omwille van het neutraal onderwijs, d.w.z. alle levensbeschouwelijke visies kunnen er aan bod komen maar zonder dat de ene voorgaat op de andere.
Alain Vannieuwenburg
Het arrest nr. 202.039 doet uitspraak over de vraag tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het Raad van het GO Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap van 11 september 2009 waarbij beslist wordt dat in elke instelling van het GO! het leerlingen, cursisten en personeelsleden voortaan niet meer toegelaten is om levensbeschouwelijke kentekens te dragen.
De verzoekende partij, ouder van een minderjarige dochter die les volgt in het GO!, had om de schorsing en de vernietiging gevraagd van deze beslissing zodat het voor haar dochter mogelijk zou blijven om school te blijven lopen in het GO! met hoofddoek.
Om een schorsing te kunnen bekomen moet de verzoekende partij aantonen dat zij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou ondergaan wanneer de beslissing niet zou worden geschorst in afwachting van de uitspraak van de Raad van State over de vernietiging, èn moet zij minstens één argument hebben dat op het eerste gezicht ernstig lijkt.
De verzoekende partij heeft drie argumenten ontwikkeld. Het eerste argument is gesteund op artikel 24, § 5 van de Grondwet en houdt in dat de beslissing van de Raad van het GO! geschorst en vernietigd moeten worden omdat zij genomen is op basis van een Bijzonder Decreet van 14 juli 1998 dat zelf ongrondwettelijk zou zijn. In haar tweede argument beweert verzoekende partij dat de beslissing van de Raad van het GO! strijdig zou zijn met de vrijheid van godsdienst zoals die wordt beschermd door internationale verdragen. Het derde argument steunt op het zgn. GOK - decreet (Decreet van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid).
De Raad van State aanvaardt dat het voor verzoekster een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is om te moeten kiezen tussen het afleggen van haar hoofddoek of het zoeken van een andere school (buiten het GO!). De Raad gaat in zijn uitspraak enkel in op dit eerste argument dat hij aanvaardt als ernstig. Op de twee andere argumenten van verzoekende partij wordt dus niet ingegaan in het arrest.
Artikel 24 van de Grondwet
Artikel 24 bevat sinds de grondwetsherziening van 1988 vijf paragrafen waarbij de verworvenheden van het Schoolpact ingeschreven werden in de Grondwet vooraleer het onderwijs gecommunautariseerd werd. De eerste paragraaf bevat het principe van de vrijheid van onderwijs (dat geldt voor het vrij onderwijs maar ook voor het GO!) en de verplichting voor het GO! om neutraal onderwijs aan te bieden ; de tweede paragraaf bevat de mogelijkheid om via bijzonder decreet een autonoom orgaan tot stand te brengen en hieraan de bevoegdheden als inrichter van onderwijs toe kennen (op vandaag is dit het Bijzonder Decreet van 14 juli 1998 dat toelaat aan het GO! om zelf zijn neutraliteitsverklaring en pedagogisch project op te stellen). De vijfde paragraaf bevat het principe van de legaliteit van het onderwijs, m.a.w. dat de essentiële elementen van het onderwijs bij decreet geregeld worden.
Volgens verzoekende partij heeft de vijfde paragraaf met het legaliteitsbeginsel tot gevolg dat het GO! nooit kan gemachtigd zijn om een dergelijke essentiële beslissing over haar onderwijs te nemen zoals het verbod op levensbeschouwelijke kentekenen in het onderwijs zonder dat hiervoor voorafgaand een decretaal kader is gecreëerd.
Volgens verwerende partij, het GO!, moet deze vijfde paragraaf samen worden gelezen met de eerste en tweede paragraaf van artikel 24 van de Grondwet waarin precies de verworvenheden van het Schoolpact zijn verankerd, nml. dat het Rijksonderwijs later Gemeenschaponderwijs zelf ook gerechtigd was op een eigen pedagogisch project, dat dit onderwijs neutraal moet zijn, en dat aan dit Gemeenschapsonderwijs een autonomie werd verleend die te vergelijken is met deze van het vrij onderwijs, waarbij organen bestaande uit verkozenen die zich geëngageerd hebben voor dat Gemeenschapsonderwijs de beslissingen als inrichtende macht zouden kunnen nemen. Het legaliteitsprincipe zoals verzoekende partij dat wenst te zien invullen, heeft aanleiding gegeven sinds de Belgische onafhankelijkheid tot eind jaren vijftig tot 120 jaar van schoolstrijd, omdat, al naar gelang de politieke meerderheid in het parlement, het rijksonderwijs nu eens gestimuleerd dan weer gefnuikt werd. Na het Schoolpact en de grondwetsherziening van 1988 die de principes van het Schoolpact verankerde, is hieraan een einde gekomen omdat van toen af het toegelaten werd aan het Gemeenschapsonderwijs om zelf ten volle inrichtende macht te zijn met een eigen pedagogisch project dat neutraal was. Het kan niet zijn dat paragraaf vijf van artikel 24 nu zou worden aangewend om de vrijheid van onderwijs, de neutraliteit en de autonomie van het Gemeenschapsonderwijs zoals deze zijn neergelegd in de paragrafen één en twee van artikel 24 van de Grondwet te ondergraven of zelfs totaal buiten spel te zetten.
De Raad van State heeft beide stellingen onderzocht en beslist dat het de vraag diende te stellen aan het Grondwettelijk Hof of het Bijzonder Decreet op grond waarvan het GO! de bestreden beslissing heeft genomen, in strijd is met artikel 24 van de Grondwet in zijn geheel gelezen. De Raad heeft wel een zekere voorkeur voor de prevalentie van paragraaf vijf en beslist dat het eerste argument van verzoekende partij er ernstig genoeg uitziet om tot schorsing over te gaan.
Naar het Grondwettelijk Hof en terug naar de Raad van State
Indien het Grondwettelijk Hof zou beslissen dat het Bijzonder Decreet strijdig zou zijn met artikel 24 van de Grondwet, dan kan de Raad van State niets anders doen dan de beslissing van het GO! te vernietigen, omdat deze is genomen op basis van een Bijzonder Decreet dat strijdig met de Grondwet.
De godsdienstvrijheid zoals deze door de Grondwet in samenhang gelezen met internationale verdragen wordt beschermd zal niet het hoofdonderwerp zijn van het arrest van het Grondwettelijk Hof, maar het is niet uit te sluiten dat bij de bespreking van het legaliteitsbeginsel ook de godsdienstvrijheid aan bod zal komen. In elk geval zal de godsdienstvrijheid het hoofdonderwerp worden van het in het een volgende fase te verwachten arrest van de Raad van State over de vordering tot vernietiging, in de mate dat het Grondwettelijk Hof tot de conclusie zou komen dat artikel 24 van de Grondwet niet geschonden is door het Bijzonder Decreet dat aan het GO! de autonomie toekende die vandaag wordt betwist.
Bedenkingen
Het nog uit te spreken arrest van het Grondwettelijk Hof zal de grondvesten van het GO! raken, nl. de neutraliteit en de autonomie van dat onderwijs:
• is het GO! bevoegd om zelf de neutraliteit van zijn onderwijs te garanderen door zelf de neutraliteit van het door hem gegeven onderwijs te kunnen invullen of moet het GO! wachten tot de Vlaamse decreetgever zelf eerst de krijtlijnen van de neutraliteit heeft ingevuld met het gevaar niet meer in staat te zijn om de neutraliteit van het onderwijs te garanderen?
• welk evenwicht zal gevonden worden tussen de autonomie van het GO! en het legaliteitsbeginsel in het onderwijs? Afhankelijk van de uitspraak van het Grondwettelijk Hof is niet uitgesloten dat de autonomie van het GO! ondergeschikt wordt aan het legaliteitsbeginsel, zodat het GO! voor alle materies die "essentieel" zijn geen beslissingen meer zal mogen nemen en zal moeten wachten op een decretale tussenkomst om zijn pedagogisch project te kunnen invullen. Dit betekent dat het GO! herleid wordt tot een "ministerie" en er zich dus qua beslissingsmacht en slagkracht voor dit onderwijs een immense kloof gaat aftekenen met het vrij onderwijs dat wel ten volle kan beslissen op basis van de vrijheid van onderwijs. Het bestaan zelf van het concept van een GO! met een eigen pedagogisch project wordt hierdoor in vraag wordt gesteld. Wordt het GO! terug een onderwijsvorm waar alles kan en alles mag ?
• Het GO! heeft het grondwettelijk neutraliteitsprincipe gedurende jaren ingevuld met het concept van "actief pluralisme". Vastgesteld moet worden dat sinds een aantal jaren vanuit bepaalde hoeken dit op zich verdienstelijke concept gehanteerd wordt om de grenzen van de "verdraagzaamheid" van de anderen onder druk te zetten. Tegelijk is gebleken dat de sommige groepen de vrijheden onder het actief pluralisme gebruiken om druk uit te oefenen op (mede)leerlingen en/of hun ouders om bepaalde levensbeschouwelijke kentekenen te dragen in de school. Het actief pluralisme ondersteunt op deze wijze niet de zwaksten wel integendeel. Het actief pluralisme leidt aldus, ongewild ongetwijfeld, tot uitwassen die zich de afgelopen jaren van school tot school verspreid hebben.
Actief pluralisme dat dusdanig wordt aangewend dat eenieder op elk ogenblik en in elke omstandigheid op school onbeperkt meningen kan uiten of gedragingen kan ten toon spreiden met verwijzing naar de godsdienstvrijheid resulteert dan in een toestand die niet meer verenigbaar is met de neutraliteit van het GO! noch met het pedagogisch project van het GO.